Terug naar het overzicht Samenvatting
Samenvatting
In het najaar van 2020 werden alle ouders woonachtig in Zeeland met een kind uit 2016 uitgenodigd om deel te nemen aan het vragenlijstonderzoek. Het onderzoek is in 2020 voor zesde keer uitgevoerd. Zo ontstaat er op veel thema’s een beeld van de leefwereld van jonge Zeeuwse kinderen door de jaren heen. Aan het onderzoek hebben 1.125 ouders van jonge kinderen deelgenomen (respons van 31%).

Ouders Jonge Kinderen 2020 - Trends op hoofdlijnen

HZ University of Applied Sciences 15 juli 2021
|
Inleiding

In deze publicatie beschrijven we op hoofdlijnen de belangrijkste uitkomsten van het onderzoek van de Jeugdmonitor Zeeland onder ouders van jonge kinderen in 2020. Vorig jaar is dit onderzoek  voor de 6de keer uitgevoerd.  De metingen hiervoor zijn altijd in het voorjaar uitgevoerd. In verband met de corona-uitbraak is de dataverzameling van 2020 verplaatst naar het najaar. Dit betekent dat kinderen in deze meting ongeveer een half jaar ouder zijn dan tijdens de vorige metingen. Ook kan er soms sprake zijn van een seizoen effect omdat de meting nu in het najaar was en niet in het voorjaar. Tot slot merken wij op dat de dataverzameling plaats heeft gevonden vóór de harde lockdown van december 2020 en de avondklok van januari 2021. In deze context moeten de resultaten worden gezien. De effecten van de veranderingen die sinds oktober zijn opgetreden (avondklok, strengere restricties) zijn in deze meting dus (nog) niet zichtbaar.

In 2020 hebben 1.125 ouders van jonge kinderen (kinderen van drie of vier jaar) deelgenomen aan het onderzoek. De respons was 31%.  Een gedetailleerde onderzoeksverantwoording vindt u hier

Op advies van het Nederlands Jeugd Instituut (NJI) werkt Jeugdmonitor Zeeland sinds 2020 met het Factorenmodel (Wiering, 2015) om de ontwikkeling van de Zeeuwse kinderen en jongeren in beeld te brengen. Voor een nieuw onderzoek wordt de vragenlijst naast dit model gelegd om keuzes te maken over het wel of niet opnemen van vragen. Het is namelijk onmogelijk om binnen één monitor alle belangrijke factoren in het leven van jeugdigen in kaart te brengen. Hierbij kijken we ook of een andere partij binnen Zeeland de informatie reeds verzameld, om dubbelingen te voorkomen.

Factorenmodel

Het Factorenmodel is gestoeld op wetenschappelijk onderzoek en belicht factoren die een rol spelen bij het gezond, kansrijk en veilig opgroeien van jeugdigen.

Het model laat zien welke beschermende en risicofactoren met elkaar samenhangen verdeeld over vijf settings: ouders en opvoeding, kind, opvang en school, woonomgeving en de digitale omgeving. Op basis van literatuuronderzoek zijn 17 factoren benoemd die het meeste invloed hebben op de ontwikkeling van kinderen. Door in te zetten op een van deze 17 factoren is de kans groot dat dit invloed heeft op het verminderen van andere risicofactoren of het versterken van beschermende factoren (Wiering, et al, 2019).

Een aantal factoren speelt een rol in verschillende levensfases van een kind, andere factoren beperken zich tot één levensfase. Neem bijvoorbeeld middelengebruik. Dit speelt nog geen rol bij 3-en 4- jarige kinderen, maar wel bij hun ouders.

Ook wordt de wereld van kinderen steeds groter naarmate ze ouder worden. Dat zien we ook in deze publicatie. De beschrijvingen van de settings ‘ouders en opvoeden’ en ‘kind’ zijn relatief uitgebreid vergeleken met de overige settings. Dit is anders bij bijvoorbeeld de onderzoeken Voortgezet Onderwijs (klas 3) en Jongvolwassenen, waar de nadruk steeds minder ligt op ‘ouders en opvoeden’ en meer op ‘school en werk’. Omdat de settings fysieke omgeving en digitale omgeving in het onderzoek relatief klein zijn bij deze doelgroep, voegen wij ze samen tot 1 setting omgeving.

Meer informatie over het Factorenmodel (Wiering, 2015) vindt u hier.

Tabel 1: Overzicht van de belangrijkste 17 risico- en beschermende factoren van het Factorenmodel onderverdeeld naar setting (Bron: Wiering et al, 2019)
Tabel met settings uit Factorenmodel
Leeswijzer

De belangrijkste uitkomsten van het onderzoek in 2020 en de ontwikkelingen sinds 2001 (indien mogelijk) worden in deze rapportage op hoofdlijnen gepresenteerd aan de hand van de 4 settings en de belangrijkste risico- en beschermende factoren voor de ontwikkeling van kinderen.

Afbeelding 1: Settings Factorenmodel (Bron: Wiering, 2015)
Model settings Factorenmodel
Bevolkingsontwikkeling

In Zeeland worden steeds minder kinderen geboren. In 2001, de eerste jaargang van het onderzoek onder ouders van jonge kinderen, werden nog 4.320 kinderen geboren. In 2020 was dat aantal, met 3.424 geboorten, 20 procent lager (CBS). Ook landelijk zien we een daling van het aantal geboren kinderen. Per 1000 inwoners worden landelijk wel meer kinderen geboren dan in Zeeland. 

Figuur 1: Aantal levend geboren kinderen per 1000 inwoners, Zeeland en Nederland (2001-2020) (Bron: CBS)
Het aantal 3- en 4-jarigen in Zeeland

Sinds 2001 is het aantal 3- en 4- jarigen in Zeeland met bijna 20% gedaald. In 2001 woonden in totaal 9.162 3- en 4- jarigen in Zeeland. In 2020 waren dit er 7.400. De daling van het aantal 3- en 4-jarigen vond met name plaats tussen 2006 en 2017. Sinds 2017 is het aantal 3- en 4- jarigen (7.372) vrij stabiel gebleven in Zeeland.

Ook landelijk is het aantal 3- en 4-jarigen gedaald, hoewel deze daling landelijk later ingezet dan in Zeeland. In Nederland is het aantal 3- en 4-jarigen, net als in Zeeland, sinds 2017 vrijwel gelijk gebleven. Ook was de daling van het aantal 3- en 4-jarigen tussen 2001 en 2020 landelijk minder groot (-10%) dan in Zeeland (-19%).

Figuur 2: Ontwikkeling aantal 3- en 4-jarigen in Zeeland (2001-2020) (Bron: CBS)
Figuur 3: Procentuele ontwikkeling van het aantal 3- en 4-jarigen t.o.v. 2001 (Bron: CBS)
Ouders en opvoeden

De risico- en beschermende factoren binnen deze setting kunnen grofweg opgedeeld worden in 3 onderdelen: gezinskenmerken, welbevinden ouders en opvoeden. In onderstaande figuur is inzichtelijk gemaakt welke factoren gemeten worden in het onderzoek van Ouders Jonge Kinderen. Het gaat volgens het factorenmodel om de belangrijkste risico- en beschermende factoren van deze setting  (ouderlijke psychopathologie, sociaal economische status, middelengebruik, mishandeling, criminaliteit) (Wiering, et al, 2019) aangevuld met enkele andere relevante factoren over opvoeden.

Afbeelding 2: Setting ‘ouders en opvoeden’, gemeten factoren door de Jeugdmonitor Zeeland (2020)
Model factoren setting ouders en opvoeden
Kenmerken gezin

De kenmerken van de Zeeuwse gezinnen met jonge kinderen worden beschreven aan de hand van de factoren gezinssamenstelling, sociaaleconomische positie (o.a. opleidingsniveau en arbeidsparticipatie van ouders), religie en taal.

Gezinssamenstelling

Veruit de meeste jonge kinderen (93%) wonen bij beide ouders. Dit is sinds 2009 niet veranderd. Als kinderen niet bij beide ouders wonen dan wonen ze het vaakst de meeste tijd bij hun moeder (4%). Weinig kinderen wonen voornamelijk bij hun vader (0,2%). Slechts 1% van de jonge kinderen woont ongeveer de helft van de tijd bij de ene ouder en de helft van de tijd bij de andere ouder (co-ouders).

De helft van de jonge kinderen woont in een gezin met 1 broertje of zusje, dus met twee kinderen in het gezin op het moment van het onderzoek. Dit aandeel is constant sinds 2001. Wel valt op dat er, vergeleken met 2017, in 2020 meer ouders aangeven dat het gezin bestaat uit in totaal 3 of meer thuiswonende kinderen (34% t.o.v. 28%). Voor alle meetjaren geldt dat jonge kinderen die alleen bij de moeder in huis wonen, vaker enig kind zijn dan kinderen die met beide ouders in huis wonen.

Figuur 4: Bij wie woont uw kind de meeste dagen van de week? (2009-2020)
Opleidingsniveau ouders

In 2020 is in Zeeland 46 procent van de moeders van jonge kinderen hoger opgeleid. Voor vaders is dit percentage 38 procent. Het gemiddelde opleidingsniveau van zowel de vaders als de moeders van jonge kinderen is sinds 2001 aanzienlijk gestegen en dat geldt in meerdere mate voor de moeders dan voor de vaders; de moeders hebben in dat opzicht een ware inhaalslag gemaakt ten opzichte van de vaders.

In de meeste gevallen is er een match tussen het opleidingsniveau van vaders en moeders, wat betekent dat het hoogst behaalde opleidingsniveau van de vader en moeder gelijk is.

Figuur 5: Opleidingsniveau ouders (2001-2020)
Arbeidsparticipatie ouders

Aan ouders is gevraagd of ze fulltime (32 uur per week of meer) betaald werk, parttime (minder dan 32 uur per week) betaald werk of geen betaald werk hebben. De arbeidsdeelname van vaders is in de periode 2001 en 2020 stabiel gebleven. Ruim 9 van de 10 vaders werken fulltime. Weinig vaders (4%) werken parttime of hebben geen betaald werk (3%). Meer moeders zijn in dezelfde periode gaan werken. We zien een stijging in zowel het aandeel moeders dat parttime werkt (2001: 55%, 2020: 67%) als het aantal moeders dat fulltime werkt (2001: 7%, 2020: 16%).  Sinds de vorige meting in 2017 is de arbeidsdeelname onder zowel mannen als vrouwen nauwelijks veranderd.

Figuur 6: Arbeidsparticipatie ouders (2001-2020)
Financiële situatie ouders

Ongeveer 2.000 Zeeuwse kinderen (9,6%) tussen 0 en 6 jaar hebben volgens het CBS kans op armoede (2019). Sinds 2011 is het aandeel Zeeuwse 0-6-jarigen met kans op armoede gestegen van 8,7% naar 9,6% in 2019. Landelijk (2019; 10,3%) ligt dit percentage iets hoger dan het Zeeuwse percentage. Het Zeeuwse percentage kruipt echter wel steeds dichter naar het landelijke percentage toe. Het is nog onduidelijk wat de gevolgen van de coronapandemie zijn op de kans op armoede bij kinderen. Cijfers voor 2020 zijn nog niet beschikbaar. Met name flexwerkers, seizoenarbeiders, ZZP’er en freelancers worden relatief hard geraakt door de coronacrisis (HZ KCZS, 2021). 

De gevolgen van armoede bij kinderen zijn groot. Op korte termijn is er sprake van een lager welbevinden bij de kinderen; ze voelen zich ongelukkiger, maken zich meer zorgen over de thuissituatie en nemen minder deel aan sociale activiteiten. Op latere leeftijd zien we vaker slechtere schoolprestaties en probleemgedrag. Volwassenen die als kind in armoede zijn opgegroeid hebben een verhoogde kans op armoede en daarbij horende problemen, zoals sociale uitsluiting (Hoff, S., 2017). 

In 2020 is in de Jeugdmonitor Zeeland voor het eerst aan de ouders van Zeeuwse jonge kinderen gevraagd of ze het afgelopen jaar moeite hadden met rondkomen van het inkomen van hun huishouden. Een op de tien ouders van jonge kinderen geeft aan dat ze hier enige (9%) of zelfs grote (1%) moeite mee hadden. Landelijk had 12% van alle particuliere huishoudens (zeer) veel moeite om rond te komen (CBS, 2019). Het CBS heeft ook gekeken naar verschillende leeftijdsgroepen. De leeftijdsgroep 25-45 jaar sluit het meeste aan bij de leeftijd van veel ouders van Zeeuwse jonge kinderen. Landelijk zien we dat 10% van deze leeftijdsgroep (zeer) veel moeite heeft met rondkomen. Vergelijkbaar dus met het gevonden Zeeuwse percentage voor ouders van jonge kinderen.

 

Religie

Ruim de helft van de ouders (54%) heeft een geloofs-/levensovertuiging. Het aandeel ouders met een geloofsovertuiging is gedaald sinds 2013 (62%) . Het aandeel Katholieken en Protestants-christelijken is in deze periode gedaald. Het aantal reformatorische ouders is stabiel gebleven.

Taal

In steeds meer gezinnen wordt thuis Nederlands (evt. samen met Zeeuws of een andere taal) gesproken. Zeeuws wordt steeds minder gesproken. Ongeveer 1 op de 12 spreekt thuis een andere taal; dit blijft door de jaren heen stabiel. In ongeveer 3% procent van de gezinnen wordt alleen een andere taal gesproken en geen Nederlands of Zeeuws. Vergeleken met 2001 (82%) zijn in 2020 van relatief meer jonge kinderen (88%) beide ouders in Nederland geboren. Sinds de laatste meting in 2017 is er in de cijfers over de thuis gesproken taal weinig veranderd.

Figuur 7: Gesproken taal thuis (2001-2020)
Welbevinden ouders

Belangrijke risico- en beschermende factoren voor de ontwikkeling van kinderen zijn factoren die te maken hebben met het welbevinden van de ouders, zoals ouderlijke psychopathologie en middelengebruik. In 2020 is besloten extra verdiepende vragen over het welbevinden van ouders op te nemen. Een trend kan daarom vaak niet worden gepresenteerd. De nieuwe vragen die zijn gebruikt, zijn afkomstig van eerder uitgevoerde wetenschappelijke onderzoeken. Daar waar mogelijk is aangesloten bij landelijke vraagstellingen. Uitkomsten van deze onderzoeken zullen indien relevant en beschikbaar worden gebruikt om de resultaten van het onderzoek onder Zeeuwse ouders van jonge kinderen in een perspectief te plaatsen. Ook is het belangrijk om bij het lezen van de resultaten in het achterhoofd te houden dat de dataverzameling voor de 2de lockdown heeft plaatsgevonden.

Algemeen welbevinden

Ouders van jonge kinderen vinden hun gezondheid over het algemeen (erg) goed (92%). Een op de twaalf (8%) beoordeelt de eigen gezondheid als ‘gaat wel’, ‘niet zo best’ of ‘slecht’. Dit is één van de nieuwe vragen in het onderzoek ouders jonge kinderen. We weten dus niet of de ervaren gezondheid van de ouders de afgelopen jaren veranderd is. Wel kunnen we de uitkomsten in een context plaatsen, omdat gegevens van landelijk onderzoek beschikbaar zijn (CBS-gezondheidsenquête, 2020).

Landelijk is te zien dat met het ouder worden het aandeel mensen met een (zeer) goed ervaren gezondheid afneemt. De ouders van jonge kinderen in Zeeland zijn veelal tussen de 30 en 40 jaar (72%). Het valt op dat hun ervaren gezondheid positiever lijkt (92%), vergeleken met het landelijk percentage bij de groep 30-40 jaar (85%). Hierbij moet worden opgemerkt dat niet alle mensen tussen de 30 en 40 jaar kinderen hebben.

Figuur 8: Aandeel (heel) goede ervaren gezondheid (Bron: CBS/HZ KCZS)
Stress

Ruim een derde van de ouders van jonge kinderen (38%) heeft in 2021 in de maand voor het onderzoek (bijna) geen last gehad van stress, de helft heeft een beetje stress ervaren (49%) en 13% heeft (heel) veel stress ervaren de afgelopen maand. Het is niet ondenkbaar dat de ouders van jonge kinderen door corona stress ervaren. De vraag naar stress is in voorgaande jaren niet gesteld en daardoor niet vergelijkbaar in de tijd.

Ouders konden op verschillende terreinen aangeven of ze een beetje, veel of heel veel stress ervaarden. Bijna een op de tien ouders ervaart (heel) veel stress op het gebied van werk. Ongeveer een op de twintig doen dat op het gebied van gezondheid en opvoeding. Van alle ondervraagde ouders ervaart één op de vijf stress op één gebied, één op de vijf op twee gebieden en eveneens één op de vijf op drie of meer gebieden.

Figuur 9: Aandeel (heel) veel stress per gebied (2020)
Psychische gezondheid

Aan ouders is in 2020 voor het eerst een set vragen gesteld om een beeld te krijgen van hun algemene psychische gezondheidstoestand in de afgelopen 4 weken. De meeste Zeeuwse ouders van jonge kinderen voelen zich psychisch gezond (91%). Het landelijke percentage bij de groep 30-40 jaar ligt lager (86%). Hierbij moet worden opgemerkt dat niet alle mensen tussen de 30 en 40 jaar kinderen hebben.

Figuur 10: Aandeel dat psychisch gezond is (Bron: CBS/HZ KCZS)
Middelengebruik

Een belemmerende factor voor het kansrijk, veilig en gezond opgroeien van kinderen is of ouders kampen met een verslaving. We zien sinds 2001 minder verslaving binnen gezinnen met jonge kinderen. In 2001 gaf 5% van de ouders aan te kampen met een verslaving. In 2020 was dit 3%. Het aandeel ouders dat aangeeft een alcoholprobleem te hebben is gelijk gebleven sinds 2001. Hier moet worden opgemerkt dat een kleine groep van de ouders aangeeft een alcoholverslaving te hebben; namelijk 0,4%. Uit landelijk onderzoek is bekend dat 4% van de kinderen in Nederland onder de 18 jaar een ouder heeft met een alcohol- of drugsverslaving (Jansma, Jansen, Willems & Anthonio, 2018). Het feitelijke aandeel ligt, net zoals in Zeeland, wellicht hoger vanwege schaamte of taboe rond dit onderwerp. Bovendien zijn mensen met een verslaving wellicht minder geneigd om deel te nemen aan een bevolkingsonderzoek dan mensen die dit niet hebben. Ook dat kan er mede voor zorgen dat de feitelijke percentages hoger liggen.

Opvoeden

De vragen die in het onderzoek zijn opgenomen over opvoeden gaan over de relatie tussen ouders en kinderen, de feitelijke aanpak en de beleving van de opvoeding. Ook zijn er vragen gesteld over het netwerk van de ouders en of ze behoefte hebben aan deskundige hulp/advies.

In de vragenlijst zijn tien nieuwe vragen opgenomen uit de Child-parent relationship scale. Doel van deze vragen is om de ouder-kindrelatie voor deze doelgroep in Zeeland (beter) te kunnen monitoren. De vragen gaan over de perceptie van de ouder over de relatie met hun jonge kind. Uit de antwoorden blijkt dat ouders over het algemeen positief zijn over deze relatie. Ouders vinden bijvoorbeeld dat zij een liefdevolle, warme relatie hebben met hun kind en dat hun kind troost bij hen zoekt als het van streek is.

Figuur 11: Aandeel dat het helemaal eens is met stelling (2020)
Opvoeding

Ruim een derde van de ouders van jonge kinderen (37%) zegt de ouderschapstaken fifty-fifty te verdelen. Bij zes van de tien ouders doet één van de ouders het meeste. Een klein gedeelte van de ouders neemt alle ouderschapstaken op zich (3%) en deelt dit niet met een partner.

Ruim 8 van de 10 ouders (84%) is tevreden met hoe de opvoeding verloopt. Iets meer ouders geven aan dat ze goed in staat zijn voor hun kinderen te zorgen (92%). Wel geeft een op de vijf ouders (21%) aan dat ze het ouderschap moeilijker vinden dan gedacht.

Negen van de tien ouders (91%) zeggen het bijna altijd wel eens te zijn over de opvoeding van hun kind(eren). Dit percentage is sinds 2001 vrij stabiel gebleven, ook in de periode tussen 2017 en 2020.

Invloed van corona

In de vragenlijst zijn ook 2 vragen opgenomen over de invloed van de coronacrisis op de opvoeding. Eén vraag gaat over een mogelijk positieve invloed van de coronacrisis op het ouderschap en de omgang met kinderen (zoals meer quality time, meer contact); een andere vraag gaat over eventuele negatieve gevolgen van de crisis (zoals ruzies, minder aandacht voor elkaar).

Twee derde van de ouders (65%) vindt dat corona niet of nauwelijks een negatieve invloed heeft op hun omgang met de kinderen. Een klein aandeel (4%) van de ouders ervaart echter een (hele) grote negatieve invloed op het ouderschap en hun omgang met hun kind(eren).

Een kwart van de ouders vindt dat corona een (hele) grote positieve invloed heeft op het ouderschap en de omgang met hun kind(eren).

In onderstaande tabel zien we dat de meeste ouders zowel een positieve als een negatieve invloed van de coronacrisis ervaren.

 

Opvallend: één op de vijf ouders (20%) ervaart helemaal geen of nauwelijks negatieve invloed en wel een (heel) grote positieve invloed van corona Dit aandeel is aanzienlijk groter dan de groep die (omgekeerd) geen of nauwelijks positieve invloed ervaart en wel (heel) grote negatieve invloed (3%).

Wilt u meer weten over corona en de invloed die dit heeft op ouders en hun omgang met hun kinderen, lees dan ons artikel hierover.

Tabel 2: In hoeverre denkt u dat de coronacrisis een positieve / negatieve invloed heeft op uw ouderschap en uw omgang met uw kind(eren)?
Tabel invloed coronacrisis ouderschap
Medeopvoeders

Ouders zijn primair verantwoordelijk voor het opvoeden van hun kind(eren), maar staan hierin niet alleen.

 

It takes a village to raise a child
...

Er wordt onderscheid gemaakt in drie/vier categorieën van medeopvoeders, zoals weergegeven in onderstaande figuur (Kesselring, 2016). In het model is onderscheid gemaakt gebaseerd op niveau van nabijheid (verticale as) en op niveau van professionaliteit (horizontale as).

In de volgende 2 paragrafen komt eerst informele hulp bij opvoeden en vervolgens deskundige hulp/advies bij opvoeden aan bod. Informele hulp bij opvoeden valt volgens het model van Kesselring in de categorieën (1) nabije medeopvoeders en (2) informele medeopvoeders op afstand van bovenstaand figuur. Deskundige hulp en advies valt volgens dit model onder (4) formele medeopvoeders op afstand. Categorie (3) nabije formele medeopvoeders bespreken we in de setting opvang en school.

 

Afbeelding 3: Onderverdeling medeopvoeders in vier categorieën (Kesselring, 2016)
Figuur model Kesseling
Informele hulp bij opvoeden

Steeds meer ouders hebben het idee dat zij een beroep kunnen doen op hun netwerk als er problemen zijn met hun kind. Ook hebben steeds meer ouders veel steun aan grootouders.  Opgemerkt moet worden dat de meting in 2020 net vóór de 2de lockdown was. Tijdens de 2de lockdown is door de restricties het fysieke contact en steun van het sociale netwerk veelal weggevallen.

Figuur 12: Informele hulp bij opvoeden (2001-2020)
Deskundige hulp/advies

Ruim negen van de tien ouders geven aan geen behoefte te hebben aan deskundige hulp over de opvoeding.  Een op de 12 ouders heeft dat wel. Een gedeelte van de ouders met behoefte aan hulp ontvangt deze hulp al (6%). Een klein gedeelte ontvangt deze hulp nog niet. Dit is om verschillende redenen: 1 % geeft aan nog niet geprobeerd heeft hulp te zoeken, 0,6% staat op een wachtlijst, 0,4% heeft wel behoefte aan hulp, maar weet niet waar ze deze kunnen vinden.

Figuur 13: Heeft momenteel behoefte aan deskundige hulp of advies over de opvoeding, het gedrag of de ontwikkeling van het kind? (2009-2020)
Kind

De risico- en beschermende factoren binnen deze setting kunnen grofweg opgedeeld worden in 2 onderdelen: kenmerken/eigenschappen van het kind zelf en de vrije tijdsbesteding van het kind. In onderstaande figuur is inzichtelijk gemaakt welke factoren gemeten worden in het onderzoek van Ouders Jonge Kinderen.  

Niet alle belangrijke risico- en beschermende factoren uit het Factorenmodel (Wiering, 2019) zijn opgenomen in het onderzoek. De factoren middelengebruik en criminaliteit komen pas in beeld in latere levensfases van kinderen. Ook de factor voeding is niet opgenomen in het onderzoek. In verband met beperkingen in de lengte van de vragenlijst en omdat de GGD Zeeland dit al opneemt in hun monitors is besloten om geen vragen over voeding op te nemen. 

Afbeelding 4: Setting ‘Kind’, gemeten factoren door de Jeugdmonitor Zeeland (2020)
Model factoren setting Kind
Kenmerken kind

De kenmerken van het kind worden beschreven aan de hand van de factoren ervaren gezondheid, ontwikkelingsachterstand en het temperament van het kind.

Gezondheid

In het algemeen vinden Zeeuwse ouders de gezondheid van hun kind (heel) goed (96%). Dit is vergelijkbaar met het landelijke percentage; 97% van de 0-5-jarigen heeft een (heel) goede gezondheid (CBS Landelijke Jeugdmonitor, 2020).

Vergeleken met voorgaande jaren vinden meer Zeeuwse ouders van jonge kinderen in 2020 dat de gezondheid van hun kind heel goed is; vijf op de tien van alle ouders in 2020 vindt de gezondheid van zijn/haar kind heel goed, ten opzichte van vier op de tien in 2017. Gezien de constantheid van dit cijfer tussen 2009 en 2017 is dit een relatief grote verandering sinds 2017.

Figuur 14: Algemeen oordeel ouder over gezondheid van kind (2009-2020)

Een op de twintig kinderen (5%) heeft een ontwikkelingsachterstand/-stoornis die vastgesteld is door een deskundige. Tussen 2005 en 2017 is dit percentage significant gestegen. Het aandeel kinderen met een beperking (handicap) (3%) is stabiel gebleven.

Figuur 15: Ontwikkelingsachterstand/-stoornis geconstateerd door een deskundige (2001-2020)
Temperament kind

Het temperament van het kind wordt in het factorenmodel (Wiering, 2015) als een belangrijke factor genoemd voor het gezond, kansrijk en veilig opgroeien. In het onderzoek Ouders Jonge Kinderen zijn ouders 7 uitspraken voorgelegd over het karakter van hun kind.

Bijna alle ouders vinden dat hun kind gevoel voor humor heeft (99%), dat hun kind een doorzetter is (87%) en zich goed kan beheersen (80%). Sinds 2001 zijn er wat veranderingen opgetreden in de beleving van de ouders over het karakter van hun kind. Meer ouders geven aan dat hun kind humor heeft, een doorzetter is en dat het zich goed kan beheersen. Opvallend is dat we tot 2017 ook zagen dat steeds meer ouders van jonge kinderen aangaven dat hun kind niet snel van streek raakte. Tussen 2017 en 2020 is dit percentage echter gedaald. Wellicht heeft dit met de coronapandemie te maken.

Ruim één op de twaalf jonge kinderen (8%) heeft vanaf de geboorte al een moeilijk karakter. Eén op de tien is erg druk en ongeconcentreerd (10%). Beide percentages zijn over de jaren vrijwel stabiel gebleven.

Figuur 16: Aandeel dat het eens is met stelling (2001-2020)
Vrije tijd

Belangrijke beschermende factoren voor de ontwikkeling van kinderen zijn emotionele en sociale vaardigheden, (stimuleren van) sport/beweging en cultuur. In het onderzoek onder ouders van jonge kinderen is gekeken naar spelen met vriendjes, vrije tijdsbesteding en lidmaatschap van verenigingen.

Spelen met vriendjes

Vergeleken met 2017 (69%) hebben in 2020 (77%) meer jonge kinderen een vast vriendje/vriendinnetje.

Bijna de helft van de jonge kinderen speelt 1 of 2 keer per week met een vriendje. Ongeveer één op de veertien jonge kinderen (7%) speelt nooit met een vriendje of vriendinnetje buiten de kinderopvang, peutergroep of basisschool. Dit aandeel is sinds 2001 nauwelijks veranderd en schommelt tussen de 7%-10%. Wel zijn kinderen sinds 2009 minder frequent gaan spelen met vriendjes en vriendinnetjes.  Het onderzoek in 2020 is net voor de 2de lockdown uitgevoerd, waarin de mogelijkheden om met vriendjes/vriendinnetjes te spelen sterk verminderd werden.

Figuur 17: Hoe vaak per week speelt kind met zijn/haar vriendjes of vriendinnetjes? (excl. kinderopvang, peutergroep, school) (2001-2020)
Vrije tijdsbesteding

Binnen activiteiten zoals spelen met speelgoed, TV kijken en boekjes ‘lezen’ zijn populair bij jonge kinderen. Minder dan de helft van de jonge kinderen (46%) speelt elke dag buiten. Spelletjes (offline en online) zijn bij jonge kinderen niet zo populair. Een vergelijking in de tijd is niet mogelijk, doordat de vraagstelling in de loop van de tijd is aangepast.

Een belangrijke beschermende factor uit het Factorenmodel (Wiering, 2015) is het stimuleren van cultuur en sport. Op jonge leeftijd doen ouders dat door hun kind bijv. buiten te laten spelen. Maar ook door samen te lezen, zingen en spelletjes te doen.

Ruim driekwart van de ouders leest (bijna) elke dag voor aan hun kind. Ongeveer twee derde zingt (bijna) elke dag samen een liedje en een derde doet (bijna) elke dag samen een spelletje. Het aandeel dat voorleest is niet veranderd sinds 2017. Zingen en een spelletje doen ouders sinds 2017 minder frequent samen met hun kinderen.

Eén op de vijf jonge kinderen is lid van een vereniging. Dit percentage is al jaren stabiel.

Figuur 18: Activiteiten die kinderen elke dag doen (2020)
Opvang en school

Factoren die in het onderzoek Ouders Jonge Kinderen zijn opgenomen gaan vooral over het gebruik van de verschillende vormen van opvang door ouders, schoolkeuzemotieven en locatie van de basisschool. De vragenlijst is in 2020 aangepast op de onderdelen opvang en school. Het zal niet altijd mogelijk zijn ontwikkeling in de tijd te beschrijven.

Afbeelding 5: Setting ‘Opvang en school’, gemeten factoren door de Jeugdmonitor Zeeland (2020)
Model factoren setting Opvang en school
Opvang

In 2020 maakt een ruime meerderheid (89%) van de Zeeuwse ouders met jonge kinderen gebruik van een vorm van opvang voor hun 3- of 4- jarig kind. De meeste ouders kiezen voor één of twee vormen van formele of informele opvang (respectievelijk 26% en 33%).  Ongeveer 30% kiest drie vormen of meer. De rest heeft geen opvang.

Om besmettingen met het coronavirus tegen te gaan, sloot de kinderopvang in 2020 tweemaal. Deze meting heeft net vóór de 2de sluiting plaatsgevonden. Zo net voor de 2de corona lockdown maakte de meeste ouders gebruik van opvang door grootouder(s) (68%), buitenschoolse opvang (34%) en oppas door andere familie, vrienden of buren (30%). Eén op de vijf gezinnen maakt gebruik van een kinderdagverblijf. Hetzelfde geldt voor de peutergroep. Een kinderdagverblijf of de peutergroep is niet altijd aanwezig in de wijk of het dorp waar men woont. Van de Zeeuwse gezinnen wijkt 15% voor opvang uit naar een andere wijk of een ander dorp.

Figuur 19: Gebruik van opvang (2020)
Basisschool

De basisschool staat voor drie van de vier jonge kinderen (25%) in de eigen woonwijk of het eigen dorp. Voor één van de vijf kinderen (20%) staat de basisschool elders in Zeeland, maar wel binnen de eigen woongemeente. Na 2005 zitten steeds minder kinderen op een basisschool in hun eigen wijk/dorp, maar op een basisschool in de eigen gemeente. Dit heeft waarschijnlijk te maken met de sluiting van basisscholen in Zeeland in deze periode. Steeds meer kernen hebben helemaal geen basisschool meer of ouders kunnen maar uit één school kiezen. Voor een kleine groep (5%) staat de basisschool buiten de woongemeente, buiten Zeeland of in België.

Figuur 20: Locatie basisschool (2020)
Schoolkeuzemotieven

Al vroeg in de kindertijd staan ouders voor de keuze van een basisschool. De voornaamste reden voor ouders in het kiezen van basisonderwijs is de nabijheid van de school; ruim de helft geeft aan dat dit telt. Daarnaast vinden bijna vier op de tien ouders het belangrijk dat de school uitgaat van dezelfde levensbeschouwing en/of dezelfde opvattingen over opvoeding als zijzelf. Dat vriendjes of vriendinnetjes naar dezelfde school gaan is voor ruim een derde van de ouders motief voor schoolkeuze. De schoolkeuzemotieven zijn tussen 2001 en 2020 nauwelijks veranderd, behalve dat het motief voor levensbeschouwing na 2013 iets minder belangrijk is geworden.

Figuur 21: Schoolkeuzemotieven (2001-2020)
Fysieke en digitale omgeving

In het Factorenmodel (Wiering, 2015) worden de settings wijk en online apart gepresenteerd. Wij hebben voor gekozen om deze voor jonge kinderen samen te voegen, omdat ze tezamen voor deze doelgroep een beperkte set aan factoren behelzen; minder dan bijvoorbeeld voor jongeren en jongvolwassenen.

Afbeelding 6: Setting ‘Omgeving’, gemeten factoren door de Jeugdmonitor Zeeland (2020)
Model factoren setting Omgeving
Huisvesting

Huisvesting is een van de 17 belangrijke risico- en beschermende factoren uit het Factorenmodel (Wiering, 2016). In de onderzoek Ouders Jonge Kinderen is hier beperkt aandacht aan besteed. Aan de ouders van Zeeuwse jonge kinderen is de uitspraak “Uw gezin woont te klein” voorgelegd. Een op de zestien ouders met jonge kinderen (6%) vindt dat ze te klein wonen. Dit percentage is sinds het begin van de metingen in 2001 stabiel.

De buurt

Ruim negen op de tien ouders (93%) woont (heel) graag in de buurt waar ze nu wonen. Ouders zijn over het algemeen tevreden over het contact van eigen kind met andere kinderen en hun contact met andere ouders in de buurt. Minder tevreden zijn ze over de mogelijkheden voor hun kind om alleen buiten te spelen en de activiteiten die er zijn in de buurt voor hun kind.

Figuur 22: Mate van tevredenheid over verschillende aspecten van de buurt (2020)
Digitale omgeving

Vooruitlopend op deze publicatie is in maart 2020 het artikel Swipen en streamen: zo gaan Zeeuwse ouders daar mee om verschenen. In dit artikel wordt uitgebreid ingegaan op het mediagebruik van jonge kinderen en houding van ouders hierop. Hieronder vindt u de resultaten op hoofdlijnen.

Mediagebruik

Digitale activiteiten zijn niet meer weg te denken uit de leefwereld van kinderen. In Zeeland maken media (TV of filmpjes kijken en online spelletjes of oefeningen doen) voor ruim de helft van de drie- of vierjarigen dagelijks deel uit van het programma (zie vrije tijdsbesteding). Met name door het kijken van televisie of filmpjes via andere kanalen. We zien daarnaast dat bijna een op de tien kinderen dagelijks een online spelletje, oefeningen of puzzel doet.

Houding ouders t.o.v. mediagebruik

Een grote meerderheid van de Zeeuwse ouders (82%) ziet liever dat hun jonge kind met andere dingen bezig is dan media. Ook vinden veel Zeeuwse ouders dat hun kind meer leert van buiten spelen dan van media (63%) en dat (offline) speelgoed (77%) beter is voor het kind.

Tegenover de negatieve invloed van media zien ouders ook de positieve kant van media als opvoedmiddel. Zo geeft bijna de helft van de ouders in Zeeland (47%) aan dat ze kinderen een tablet, smartphone of televisie geeft als hij of zij even geen tijd heeft. Ruim twee derde van de Zeeuwse ouders (68%) vinden media handig om het kind bezig te houden als ze een moment rust kunnen gebruiken.

Figuur 23: Aandeel ouders dat het (helemaal) eens is met de stelling (2020)
Conclusie
Algemene trends

Als we kijken naar ontwikkelingen onder ouders van jonge kinderen dan zien we verschillende positieve trends; zo is er steeds meer informele hulp bij het opvoeden en is het oordeel over de gezondheid van de kinderen steeds positiever. Vanuit de gedachte van brede welvaart is het ook positief te noemen dat ouders van jonge kinderen, gemiddeld genomen, steeds hoger opgeleid zijn.

Verder laat het onderzoek zien dat de meeste ouders aandacht hebben voor voorlezen en andere activiteiten die de ontwikkeling stimuleren, zoals muziek en spelletjes. Buiten spelen geniet voor veel ouders de voorkeur boven mediagebruik, hoewel ouders ook de positieve kant van mediagebruik inzien.

Er zijn ook ontwikkelingen die aandacht verdienen. In de eerste plaats verdient de demografische ontwikkeling aandacht: het aantal jongeren in Zeeland daalt, terwijl het aantal ouderen sterk toeneemt. Verder zien we in ons onderzoek een relatieve stijging van het aantal kinderen met een gediagnostiseerde ontwikkelingsachterstand, hoewel dit aandeel tussen 2017 en 2020 weer iets daalde. Ook valt op dat in 2020 meer ouders opmerken dat hun kind snel van streek raakt. Meer dan de helft van de ouders ervaart stress op één of meerdere gebieden. Tot slot is er de stijging van het aandeel kinderen dat opgroeit met kans op armoede.

Mogelijke impact corona

Hoewel dit onderzoek niet is opgezet om de impact van corona onder Zeeuwse ouders van jonge kinderen te meten, is het onmogelijk de resultaten van dit onderzoek te beschrijven zonder stil te staan bij het mogelijke effect van corona.

Het Nederlands Jeugdinstituut (NJI) heeft in hun rapport Effect van corona op jeugd, gezin en jeugdveld (april 2021) antwoord proberen te vinden op de vraag hoe het met de jeugd gaat in coronatijd. Kleine kinderen zijn een relatief onderbelichte groep als gekeken wordt naar de impact van corona op de jeugd. Meer aandacht gaat uit naar schoolgaande kinderen/pubers en jongvolwassenen. Dat is ook niet vreemd, omdat zij hard geraakt zijn door het thuisonderwijs, de beperking van sociale contacten en financieel, door verlies van (bij)baan en inkomen.

Wat opvalt in het onderzoek onder ouders van Zeeuwse kinderen is dat kinderen in 2020 sneller van streek raken dan in 2017. Ook de Universiteit Leiden merkt op dat ouders negatieve gedragsveranderingen bij hun kind benoemen, zoals huilen, terughoudendheid, eenkennigheid, gespannenheid, weerstand om naar de opvang te gaan of meer in het algemeen weer moeten wennen of moeite hebben met het afscheid.

Ook de beperking van sociale contacten tijdens de 2de lockdown is ingrijpend geweest voor de kleine kinderen. Er was tijdelijk minder of geen fysiek contact met grootouders mogelijk. Ook konden er minder speelafspraakjes worden gemaakt. Met name kinderen zonder broertjes of zusjes zijn hierdoor geraakt.  Het is onbekend wat de effecten voor de ontwikkeling van de kinderen op langere termijn zijn.

Corona raakt niet alle mensen even hard. Over het algemeen lijkt de invloed van corona op het welbevinden van de Zeeuwse ouders vóór de 2de lockdown beperkt. Ook landelijk lijkt men zich (gemiddeld genomen) mentaal behoorlijk goed door deze crisis heen te slaan. Het psychisch welbevinden van de Nederlandse bevolking was in het najaar van 2020 nauwelijks anders dan voor corona. Vraag is echter hoe ze zich door de 2de lockdown hebben geslagen? Hoe hebben de ouders het volgehouden? Hoe gaat het financieel met ze? Is de rek eruit?

Daarnaast worden of zijn sommige groepen mensen kwetsbaarder dan andere, bijvoorbeeld gezinnen met multiproblematiek of ouders met een eigen bedrijf. De verschillen tussen groepen worden onder invloed van corona groter (SCP, 2021). Eind juni is het onderzoek naar de maatschappelijke impact van corona in Zeeland Kwetsbare groepen en corona: lessons learned in Zeeland verschenen. In het onderzoek is ook aandacht besteed aan kwetsbare gezinnen en kinderen.

Meer in de reeks Ouders Jonge Kinderen
1. ZeelandScan

In de ZeelandScan is een dashboard Jeugd, met daarin relevante indicatoren voor de Transformatie Agenda Jeugd. Het dashboard zal in de zomer 2021 worden bijgewerkt met de resultaten van 2020.  

2. Databank - uitkomsten op gemeenteniveau

In de zomer van 2021 zijn de resultaten op gemeenteniveau bekend. Deze zullen worden opgenomen in de databank van HZ Kenniscentrum Zeeuwse Samenleving.

3. Werkplaats

In het najaar van 2021 zal een werkplaats worden georganiseerd waarin de jubileumpublicatie 20 jaar Jeugdmonitor Zeeland en dit meest recente onderzoek centraal staan. Meer informatie hierover volgt in september 2021.

4. Thema-artikelen

In de reeks Ouders Jonge Kinderen zijn 2 artikelen gepubliceerd:

Meer artikelen zijn op dit moment niet gepland. Wellicht geeft de werkplaats aanleiding om een thema verder uit te werken in een artikel. 

Bronnen
Bronnen

CBS (2020). Gezondheid en zorggebruik; persoonskenmerken. Geraadpleegd van https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/83005ned/table?dl=4DB55

CBS (2015). MHI-5. Geraadpleegd van MHI-5 (cbs.nl)

CBS Jeugdmonitor Home | Jeugdmonitor (cbs.nl)

Hoff, S. (2017). Armoede onder kinderen – Een probleemschets. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

HZ Kenniscentrum Zeeuwse Samenleving (2021). Kwetsbare groepen en corona: lessons learned in Zeeland. Geraadpleegd van Kwetsbare groepen en corona: lessons learned in Zeeland | HZ Kenniscentrum Zeeuwse Samenleving (kczs.nl)

HZ Kenniscentrum Zeeuwse Samenleving (2021). Opvoeden en coronaGeraadpleegd van Opvoeden en corona | HZ Kenniscentrum Zeeuwse Samenleving (kczs.nl)

Kesselring, M. (2016). Partners in parenting. Proefschrift Universiteit Utrecht.

NJI (2021). Effect van corona op jeugd, gezin en jeugdveld. Geraadpleegd van Effect van corona op jeugd, gezin en jeugdveld (nji.nl)

Pianta, R. C. (1992). Child-parent relationship scale. Geraadpleegd van cprs.pdf (bristol.ac.uk)

SCP (2021). Een jaar met corona. Ontwikkelingen in de maatschappelijke gevolgen van corona. Geraadpleegd van Een jaar met corona | Publicatie | Sociaal en Cultureel Planbureau (scp.nl)

Transformatieagenda jeugd Zeeland 2018-2021. Geraadpleegd van Transformatieagenda_Jeugd_Zeeland_2018-2021.pdf (vlissingen.nl)

Vrijhof et al (2020). Terug naar de opvang: kinderopvang in tijden van corona. Geraadpleegd vanTerug naar de opvang: kinderopvang in tijden van corona - Universiteit Leiden

Wiering, D (2015). Rotterdam Groeit - Beleidskader Jeugd 2015-2020. Geraadpleegd van https://www.kennisbanksportenbewegen.nl/?file=7626&m=1488798726&action=file.download

Wiering et al (2019). Wijkprogrammering - Methodiek handleiding gemeente Rotterdam. Geraadpleegd van Wijkprogrammering (rotterdam.nl)

ZB| Planbureau (2016). Onderwijs ons goed - Update 2016. Afnemende leerlingenaantallen in Zeeland. Geraadpleegd van Onderwijs ons goed; Update 2016; Afnemende leerlingaantallen in Zeeland.

Zeelandscan (2021). Geraadpleegd van Home - Zeelandscan