Terug naar het overzicht Samenvatting
Samenvatting
Het Zeeuwse onbenut arbeidspotentieel is relatief klein en neemt in omvang snel af. In bepaalde sectoren met veel krapte is het onbenut arbeidspotentieel relatief klein. Mede gezien de kenmerken van de mensen (jong, vaak (nog) in onderwijs, doorgaans niet geregistreerd bij het UWV) lijkt het onbenut arbeidspotentieel geen heilige graal voor het oplossen van de arbeidsmarktkrapte.

Onbenut arbeidspotentieel in perspectief

06 juni 2023
|

In het kort

Het onbenut arbeidspotentieel is in Zeeland relatief klein en, net als in de rest van Nederland, in het afgelopen decennium behoorlijk in omvang afgenomen. Bovendien is driekwart van deze groep niet in beeld van het UWV of gemeenten, waardoor de groep lastig te bereiken is. Het aandeel werkenden in Zeeland dat minder uren wil werken is groter dan het aandeel dat meer uren wil werken. 

Jongeren vormen een relatief grote groep binnen het onbenut arbeidspotentieel en zijn wellicht te bewegen om (meer uren) te werken. Hierbij moet worden beseft worden dat een substantieel deel van deze groep nog bezig is met een opleiding. Het gaat hier vaak om jongeren die meer uren zouden willen werken in een bijbaan, zoals in de horeca of de toeristensector en dat is niet per se de sector waarin zij op termijn aan de slag zouden willen gaan.

Het onderbenut potentieel onder de werkenden is laag in sectoren met een relatief krappe arbeidsmarkt, zoals de industrie, bouw en ICT. Vaak zijn dit sectoren waar al veel in voltijd gewerkt wordt en er dus überhaupt weinig rek is in de hoeveelheid werkuren. In de zorg, ook zo’n sector met veel tekorten, wordt juist heel veel in deeltijd gewerkt, maar het aandeel zorgwerkers dat meer uren wil werken is in die sector niet bijzonder groot.

Naast de onderbenutte deeltijders is er een relatief kleinere groep mensen die nu niet werken, maar wel werk zoeken en/of op korte termijn beschikbaar zijn voor werk. De werkloosheid in Zeeland is historisch laag en ook relatief laag ten opzichte van andere regio’s. Op zichzelf is dat een positief gegeven, maar als het gaat over onbenut arbeidspotentieel lijkt de potentiële winst op korte termijn hier beperkt. De werkloosheid kent bovendien een ondergrens: fricties tussen vraag en aanbod zijn van alle tijden en onvermijdelijk op een arbeidsmarkt die zo in verandering is als de huidige.

Al met al is het onbenut arbeidspotentieel geen heilige graal. De historisch hoge arbeidsmarktkrapte in combinatie met de verwachte grote uitstroom als gevolg van vergrijzing maken dat werkgevers creatief en soms ‘out of the box’ moeten kijken voor het vinden en behouden van geschikt personeel. Winst behalen door alleen werknemers meer uren beschikbaar te stellen zonder aanvullende stimulansen lijkt niet direct een oplossing voor krapte op de arbeidsmarkt te bieden. Er zou breder gekeken moeten worden, naar deeltijders die op dit moment niet actief aangeven meer uren te willen werken, maar hier onder voorwaarden wellicht wel voor open staan, en naar mensen die op dit moment niet op zoek zijn naar werk maar wellicht wel naar de arbeidsmarkt te bewegen zijn, zoals gepensioneerden.

Het aantrekkelijk en toegankelijk maken van betaald werk, bijvoorbeeld door het aanbieden van flexibele uren of het creëren van laagdrempelige ontmoetingsplekken voor werkzoekenden door werkgevers, en het creëren en bespreekbaar maken van de mogelijkheid om meer uren te werken, bijvoorbeeld door het faciliteren van kinderopvang, lijken belangrijke elementen om het arbeidspotentieel te vergroten. Om de werkdruk niet te veel op te laten lopen en een goede balans tussen werk en privé goed te behouden is het belangrijk om aanvullend aandacht te hebben voor het slimmer organiseren van het werk zélf, bijvoorbeeld door taken te herverdelen of technologie in te zetten.

Inleiding

De huidige en aanhoudende krapte op de Zeeuwse arbeidsmarkt maakt dat er breed en creatief gekeken moet worden naar oplossingen. Eén van de oplossingsrichtingen zit in het zogenoemde ‘onbenut arbeidspotentieel’ ofwel mensen die om uiteenlopende reden wel (meer) willen werken, maar (tijdelijk) geen werk hebben of minder uren werken dan ze zouden willen. De huidige tekorten op de arbeidsmarkt maken dat er meer focus ligt op de on(der)benutte potentie van deze doelgroep.

Meer inzicht in onbenut arbeidspotentieel van Zeeland

Om een betere inschatting te kunnen maken van de daadwerkelijke potentie van het onbenut arbeidspotentieel in Zeeland is het wenselijk om een beeld te krijgen van deze groep: Hoe groot is het onbenut arbeidspotentieel in Zeeland? Wat zijn de kenmerken van de mensen in het onbenut arbeidspotentieel?

Inzichten uit Enquête Beroepsbevolking

Wij hebben dit onderzoek verricht op basis van informatie over arbeidsdeelname en afstand tot de arbeidsmarkt van Zeeuwse inwoners uit de Enquête Beroepsbevolking (EBB) 2017 – 2021 van het CBS. De EBB is een landelijk palenonderzoek over de relatie tussen mens en arbeidsmarkt. Dit verdiepend onderzoek is een aanvulling op het dashboard ‘Onbenut arbeidspotentieel Zeeland’ op ArbeidsmarktInZicht

Onbenut arbeidspotentieel: wat weten we al?

Het onbenut arbeidspotentieel bestaat uit mensen in de leeftijd van 15 tot 75 jaar die meer (uren) zouden willen werken:

  • Werklozen: Deze personen hebben geen betaald werk, hebben recent gezocht naar werk en zijn ook direct beschikbaar.
  • Semiwerklozen: Deze personen hebben geen betaald werk, hebben niet recent gezocht naar werk, maar zijn wel direct beschikbaar. Ook betreft het hier personen die geen betaald werk hebben, wel recent hebben gezocht naar werk, maar niet direct beschikbaar zijn.
  • Onderbenutte deeltijdwerkers: Deze personen hebben wel betaald werk, willen meer uren werken en zijn daar ook op korte termijn voor beschikbaar.
     
Omvang onbenut arbeidspotentieel neemt af

Uit eerder onderzoek weten we dat in 2021 landelijk 10 procent van alle inwoners tussen de 15 en 75 jaar onder het onbenut arbeidspotentieel viel. Onderbenutte deeltijdwerkers vormen hierin de grootste groep (4 op de 10 in het onbenut arbeidspotentieel), gevolgd door werklozen en semi-werklozen (CBS, 2022). De omvang van het onbenut arbeidspotentieel is sinds 2013 met 45 procent afgenomen tot een aantal van ruim 1,1 miljoen personen in 2022 (Etil, 2023). Deze daling is niet vreemd aangezien in diezelfde periode de arbeidsvraag alleen maar is gestegen (ABN AMRO, 2022).

Een diverse groep

Het onbenut arbeidspotentieel is allesbehalve een homogene groep: er is diversiteit in de positie op de arbeidsmarkt, duur van werkloosheid, gezondheid, leeftijd, opleidingsniveau en werkervaring (UWV, 2022a). Het onbenut arbeidspotentieel onder vrouwen is relatief hoog, vanwege het hoge aandeel (onderbenutte) deeltijders (CBS, 2022). Ongeveer 80 procent van de werklozen binnen het onbenut arbeidspotentieel is kortdurend (< 12 maanden) werkloos. In 2015 was dat aandeel nog 60 procent (Etil, 2023).

Merendeel niet ingeschreven bij het UWV

in 2020 stond ongeveer 30 procent van de mensen in het onbenut arbeidspotentieel ingeschreven bij het UWV of de gemeente. Een meerderheid is dus niet in beeld. Van het totale onbenutte arbeidspotentieel zijn vooral jongeren vaak niet geregistreerd als werkzoekende. Omgekeerd behoort 28 procent van alle geregistreerd werkzoekenden (GWU) tot het onbenut arbeidspotentieel: een groot deel van degenen die als werkzoekende geregistreerd zijn valt naar eigen zeggen dus niet onder het onbenut arbeidspotentieel (UWV, 2022a).

Arbeidspotentieel van Zeeland

Voor een analyse van het Zeeuwse arbeidspotentieel beginnen we met het totaalbeeld van de Zeeuwse bevolking en hun arbeidsmarktpositie. 

Vergrijzing zorgt voor aanhoudende druk op Zeeuwse arbeidsmarkt

In Zeeland is de verhouding tussen het aantal personen van 65 jaar en ouder en het aantal personen in de zogenaamde ‘productieve leeftijd’ van 20 tot 65 jaar, ofwel de ‘grijze druk’, hoog. Niet alleen is deze grijze druk het hoogst van alle Nederlandse Provincies, ook is die sinds de metingen van het CBS vanaf 1995 niet eerder zo hoog geweest als op dit moment (CBS Statline). 

Ook binnen de Zeeuwse ‘beroepsgeschikte bevolking’, ofwel alle inwoners van 15 tot 75 jaar, die de arbeidspotentie vormen, is het ‘oudere arbeidspotentieel’ (55 jaar en ouder) relatief groot. Een aanzienlijk deel van deze groep zal binnen afzienbare tijd de arbeidsmarkt definitief verlaten. Het UWV becijferde in 2022 al dat voor tien Zeeuwse sectoren meer dan een derde van de werkenden ouder is dan 50 jaar. In de sectoren industrie, openbaar bestuur en vervoer & opslag ligt dit aandeel zelfs hoger dan 40 procent. In de zorg is dat cijfer net iets lager (UWV, 2022b). 

De hoge grijze druk in Zeeland heeft verstrekkende gevolgen voor de Zeeuwse de arbeidsmarkt. Denk hierbij aan het groeiende tekort aan personeel in de (ouderen)zorg: meer mensen hebben zorg nodig en zijn steeds minder mensen beschikbaar om die zorg te verlenen.

Onbenut arbeidspotentieel Zeeland: ongeveer 22 duizend personen

Dan is er binnen het Zeeuwse arbeidspotentieel dus ook een deel onbenut arbeidspotentieel, ofwel een groep inwoners in de leeftijd van 15 tot 75 jaar die relatief dichtbij de arbeidsmarkt staat en (meer uren) zou willen werken. In 2022 behoorde in Zeeland 8 procent van alle inwoners in de leeftijd 15 tot 75 jaar tot het onbenut arbeidspotentieel. Landelijk is dat aandeel, met 9, iets groter. In Zeeland gaat om ongeveer 22 duizend inwoners; bijna de helft is onderbenutte deeltijdwerker, 3 op de 10 zijn werkloos en ook 3 op de 10 zijn semi-werkloos.

Aantal deeltijders dan niet meer wil werken veel groter dan aantal dat wel meer wil werken

Figuur 1 geeft een totaalbeeld van de arbeidsdeelname van de beroepsgeschikte bevolking van Zeeland, ofwel alle 15 tot 75-jarigen. De netto arbeidsdeelname, ofwel het aandeel werkenden, is in Zeeland, net als landelijk, ruim 70 procent. Onder de werkenden is er een relatief grote groep inwoners die momenteel part time werken en op dit moment niet meer wil of kan werken. Die groep is vele malen groter (30%) dan de kleine groep ‘onderbenutte deeltijders’ die nu aangeven wel meer te willen werken (4%). Onder de mensen die op dit moment niet meer willen werken zijn ook mensen die juist minder uren zouden willen werken. Hier komen we verderop in dit artikel op terug.

In 2022 was een kwart van alle 15 tot 75-jarigen in Zeeland niet beschikbaar en ook niet op zoek naar betaald werk vanwege opleiding, zorgtaken, ziekte, ouderdom of andere redenen. Als we kijken naar de opbouw van de ‘beroepsgeschikte bevolking’ van Zeeland in 2022 dan wijkt het beeld niet erg af van het landelijk beeld. Het meest opvallende is dat in Zeeland het aandeel dat niet wil/kan werken vanwege ouderdom is in Zeeland relatief groot: 15% t.o.v. 12%.
 

Figuur 1: Inwoners 15 tot 75 jaar, naar arbeidsmarktpositie (2022)

Zeeuws arbeidspotentieel door de tijd heen

Hoe ontwikkelt het Zeeuwse arbeidspotentieel zich in de tijd? Om een perspectief te geven hebben wij het Zeeuwse arbeidspotentieel in de tijd bekeken, vanaf 2017 tot en met 2022.

Aantal werkenden groeit, aantal niet-werkenden krimpt

Tussen 2017 en 2022 is het onbenut arbeidspotentieel van Zeeland gedaald van 32 duizend naar 22 duizend personen. Ook relatief is het onbenut arbeidspotentieel in deze periode gedaald, namelijk van 11 procent naar 8 procent van alle 15 tot 75-jarigen. Daartegenover staat dat het aandeel werkenden in Zeeland in deze periode is gestegen van 67 procent naar 71 procent. De ontwikkeling van het onbenut arbeidspotentieel kan dus ook positief worden zien; een steeds groter aandeel van alle 15 tot 75-jarigen in de regio heeft betaald werk. 

Onder de werkenden werkt bijna de helft in deeltijd. Dit aandeel is sinds 2017 constant gebleven. Het aandeel van 15 tot 75-jarigen dat niet beschikbaar is voor werk, ofwel de ‘niet-beroepsbevolking’, is tussen 2017 en 2022, met ruim een kwart, nagenoeg constant gebleven. 
 

Figuur 2: Inwoners van Zeeland 15 tot 75 jaar, naar arbeidsmarktpositie (2017-2022)
Alle deelgroepen van het onbenut arbeidspotentieel worden kleiner

Als we specifiek kijken naar de ontwikkeling van het onbenut arbeidspotentieel dan zien we dat zowel het aantal onderbenutte deeltijders, aantal werklozen als aantal semi-werklozen is afgenomen. Het aandeel van de onderbenutte deeltijders is, met een aandeel tussen de 40 en 50 procent, in deze periode altijd de grootste deelgroep van het onbenut arbeidspotentieel geweest.

Figuur 3: Onbenut arbeidspotentieel Zeeland, naar arbeidsmarktpositie (2017-2022)

Kenmerken van het Zeeuws onbenut arbeidspotentieel

Voor personeelsbeleid is het nuttig om meer inzicht te hebben in de samenstelling van het onbenut arbeidspotentieel van Zeeland: Wie zijn deze mensen? Wat zijn hun kenmerken? Ook in dit deel van het artikel kijken we naar het bredere perspectief van het onbenut arbeidspotentieel gebaseerd op cijfers uit de Enquête Beroepsbevolking van het CBS.

Meerderheid onbenut arbeidspotentieel is vrouw

Het onbenut arbeidspotentieel in Zeeland bestaat voor bijna 60 procent uit vrouwen (kleine 11 duizend) en ruim 40 procent uit mannen (8 duizend). Deze verhoudingen zijn vergelijkbaar met het landelijk beeld.

Als we het onbenut arbeidspotentieel in bredere context bekijken, dan zien we dat het percentage onbenut arbeidspotentieel in Zeeland onder vrouwen iets hoger is dan onder mannen. Dat geldt in het bijzonder voor het aandeel onderbenutte deeltijders. Dit laatste is niet vreemd, gezien het feit dat vrouwen beduidend vaker in deeltijd werken (72 procent) dan mannen (26 procent).

Figuur 4: Onbenut arbeidspotentieel, naar geslacht (2022)

Als we het onbenut arbeidspotentieel in bredere context bekijken, dan zien we dat het percentage onbenut arbeidspotentieel in Zeeland onder vrouwen iets hoger is dan onder mannen. Dat geldt in het bijzonder voor het aandeel onderbenutte deeltijders. Dit laatste is niet vreemd, gezien het feit dat vrouwen beduidend vaker in deeltijd werken (72 procent) dan mannen (26 procent).

Vrouwen werken overwegend in deeltijd

Bij vrouwen zien we een relatief grote groep die op dit moment deeltijd werkt en niet meer (of zelfs minder) uren wil werken. De groep deeltijders die niet meer uren wil werken is 15 keer zo groot als de groep vrouwen die deeltijd werkt en wel meer uren wil werken. Bij mannen is dat 8 keer zo groot. Ongeveer 30 procent van de vrouwen in de leeftijd van 15 tot 75 jaar is niet beschikbaar voor betaald werk. Onder mannen is dat 20 procent. Onderliggend zien we dat vrouwen relatief vaker dan mannen niet beschikbaar zijn voor werk in verband met ziekte. Ook het aandeel dat niet beschikbaar is in verband met zorgtaken of ouderdom is onder vrouwen hoger dan onder mannen.

Figuur 5: Inwoners 15 tot 75 jaar, naar arbeidsmarktpositie en geslacht (2022)
Een derde van onbenut arbeidspotentieel betreft jongeren

Het onbenut arbeidspotentieel in Zeeland bestaat voor een belangrijk deel uit jongeren: een derde is tussen de 15 en 25 jaar. Het gaat om ongeveer 6 duizend jongeren. Verder is het onbenut arbeidspotentieel in Zeeland gelijkmatig verdeeld naar leeftijd. Slechts een klein deel betreft 65 tot 75-jarigen. Dit lage aandeel is toe te schrijven aan het feit dat een deel van deze groep ouder is dan de pensioengerechtigde leeftijd.

Figuur 6: Onbenut arbeidspotentieel, naar leeftijd (2022)
Ook percentage onbenut potentieel onder jongeren hoogst

Ook het percentage onbenut arbeidspotentieel is, met 15 procent, onder jongeren (15 tot 25 jaar) het hoogst is van alle leeftijdsgroepen. Met name het aandeel onderbenutte deeltijders is hoger dan onder andere leeftijdsgroepen. Voor een belangrijk deel gaat het hier om jonge mensen die nog onderwijs volgen en daarnaast betaald werk hebben (zie ook verderop in het artikel).

Het onbenut arbeidspotentieel onder de Zeeuwse jongeren is wel wat lager dan landelijk (21 procent). In het bijzonder is de werkloosheid onder jongeren in Zeeland relatief laag. Op zichzelf is dat een positief gegeven: veel jongeren kunnen in Zeeland snel aan het werk, bijvoorbeeld in de horeca. Kanttekening hierbij is wel dat dit soort werk in veel gevallen niet direct aansluit op waarvoor ze worden opgeleid en daarmee mogelijk niet duurzaam is. Onlangs stuurde de minister van Onderwijs, cultuur en wetenschap een kamerbrief over een aanvalsplan voor het voorkomen van voortijdig schoolverlaten. In deze kamerbrief wordt onder andere benoemd dat de huidige krappe arbeidsmarkt voor jongeren aantrekkelijk wordt om het onderwijs voortijdig te verlaten, bijvoorbeeld doordat een baan meer oplevert dan een bbl-opleidingsbaan (Ministerie van OC&W, 2023).
 

Figuur 7: Inwoners 15 tot 75 jaar, naar arbeidsmarktpositie en leeftijd (2022)
3 op de 10 mensen in het onbenut arbeidspotentieel hebben betaald werk

Als we kijken naar de ‘maatschappelijke positie’ die mensen zichzelf toerekenen dan zien we dat het grootste deel van de mensen in het onbenut arbeidspotentieel (betaald) werkenden betreft: dat zijn er 3 op de 10. Het gaat hier grotendeels om onderbenutte deeltijders. 

De een na grootste groep betreft scholieren en studenten: zo’n 4,5 duizend. Het gaat om een kwart van alle mensen in het Zeeuwse onbenut arbeidspotentieel. De derde grootste groep betreft werklozen (3,5 duizend). Samen vormen de werkenden, scholieren/studenten en werklozen bijna driekwart van het totale onbenutte arbeidspotentieel. Mensen die zichzelf als ‘huisman’ of ‘huisvrouw’ typeren vormen slechts 5 procent van het onbenut arbeidspotentieel.

Figuur 8: Onbenut arbeidspotentieel Zeeland, naar maatschappelijke positie (2022)
Meerderheid scholieren/studenten heeft werk; 2 op de 10 onderbenut

Na de werklozen is het onbenut arbeidspotentieel het hoogst onder scholieren en studenten. Ongeveer 8 op de 10 Zeeuwse scholieren en studenten hebben een (bij)baan en 17 procent van de scholieren/student heeft onbenutte arbeidspotentie. Het gaat daar met name om jongeren die in deeltijd werken en meer zouden willen werken, ofwel onderbenutte deeltijdwerkers. 

Uit landelijke cijfers blijkt dat ruim 4 op de 10 van alle scholieren/studenten in het onbenut arbeidspotentieel een opleiding in het hoger onderwijs volgen en een kleine 3 op de 10 nog in het voortgezet onderwijs zitten. Relatief is het aandeel onbenut arbeidspotentieel het hoogst onder jongeren in het voorgezet onderwijs: bijna een derde van de scholieren in het vo valt onder het onbenut arbeidspotentieel. Als we kijken naar de studierichting dan valt landelijk vooral op dat het onbenut arbeidspotentieel laag is onder jongeren met een agrarische/veterinaire opleiding. 

De onbenutte arbeidspotentie van scholieren en studenten is in Zeeland iets lager dan landelijk: zowel het aandeel scholieren/studenten is in Zeeland iets lager alsook het onbenut arbeidspotentieel binnen deze groep.

Figuur 9: Inwoners 15 tot 75 jaar, naar arbeidsmarktpositie en maatschappelijke positie (2022)
Bijna 4 op de 10 in onbenut arbeidspotentieel (nog) lager opgeleid

In Zeeland is het grootste deel, namelijk bijna 4 op de 10 (ruim 7 duizend inwoners), onder de mensen in het onbenut arbeidspotentieel laag opgeleid. Dit heeft er deels mee te maken dat een substantieel deel van de mensen in het onbenut arbeidspotentieel nog onderwijsvolgend is. De hoger opgeleiden zijn zowel in Zeeland als landelijk de kleinste groep in het onbenut arbeidspotentieel. In Zeeland gaat het naar schatting om ongeveer 5 duizend hoger opgeleiden die (meer uren) zouden willen werken.

Figuur 10: Onbenut arbeidspotentieel, naar hoogst behaald opleidingsniveau (2022)
Onbenut potentieel hoogst onder lager opgeleiden

Als we kijken naar het bredere perspectief zien we dat het onbenut arbeidspotentieel binnen de groep lager opgeleiden het hoogst is. Dit is niet alleen in Zeeland, maar ook landelijk het geval. We constateerden al dat een substantieel deel van de mensen in het onbenut arbeidspotentieel nog onderwijs volgt en daarom nog geen middelbaar of hoger opleidingsniveau heeft behaald.

Figuur 11: Inwoners 15 tot 75 jaar, naar arbeidsmarktpositie en hoogst behaald opleidingsniveau (2022)
4 op de 10 in het onbenut arbeidspotentieel hebben (nog) geen vervolgdiploma

Voor de aansluiting op werk speelt niet allen het niveau, maar ook de richting van een behaalde opleiding een rol. Daarvoor hebben we gekeken naar landelijke cijfers over de opleidingsrichting van mensen in het onbenut arbeidspotentieel. In het verlengde van de inzichten in het niveau van de hoogst behaalde opleiding van mensen in het onbenut arbeidspotentieel zien we dat ongeveer 4 op de 10 ‘algemeen’ als richting van het hoogst behaald opleidingsniveau heeft. Het gaat hier voor een belangrijk deel om mensen die alleen een basisopleiding hebben en (nog) geen vervolgopleiding hebben afgerond. 

Als we kijken naar de mensen in het onbenut arbeidspotentieel die wel al een gerichte vervolgopleiding hebben afgerond dan zien we dat de mensen met een diploma in ‘Recht, administratie, handel en zakelijke dienstverlening’ de een na grootste groep is, gevolgd door de opleidingsrichting ‘Gezondheidszorg en welzijn’. Het gaat hier om respectievelijk 14 en 10 procent van alle mensen in het onbenut arbeidspotentieel.

Figuur 12: Onbenut arbeidspotentieel Nederland , naar opleidingsrichting van hoogst behaalde opleiding (2022)
Onbenut arbeidspotentieel laag onder meeste onderwijsrichtingen

Als we kijken naar de landelijke cijfers over arbeidsdeelname in relatie tot de richting van de hoogst behaalde opleiding van mensen dan zien we dat, met uitzondering van de opleidingsrichting ‘Algemeen’ (zie hiervoor), voor de meeste vervolgopleidingsrichtingen het onbenut arbeidspotentieel onder de mensen met een vervolgdiploma relatief laag is. In het bijzonder geldt dat ook voor opleidingen richting beroepsgroepen met zeer grote krapte op de arbeidsmarkt, zoals techniek, industrie en bouwkunde en de zorg. 

Binnen deze opleidingsrichtingen met (relatief) weinig onbenutte arbeidspotentie zien we nog wel verschillen als we kijken naar het bredere plaatje van arbeidsdeelname. Zo werken mensen met een gerichte opleiding in de techniek, industrie en bouwkunde vaak al fulltime (59%), terwijl mensen met een gerichte opleiding in het zorg juist vaak in deeltijd werken (48%).

Figuur 13: Inwoners van Nederland, naar arbeidsmarktpositie en richting van de hoogst behaalde opleiding (2022)
Arbeidsdeelname vergelijkbaar in drie Zeeuwse subregio’s

Het aandeel onbenut arbeidspotentieel is vergelijkbaar in de drie Zeeuwse subregio’s Oosterschelderegio, Zeeuws-Vlaanderen en Walcheren. Hetzelfde geldt voor het percentage werkenden onder de 15 tot 75-jarigen: dat aandeel is in alle drie de subregio’s bijna 70 procent. Het aandeel van de ‘niet-beroepsbevolking’, ofwel degenen die niet beschikbaar zijn voor betaald werk en ook niet zoeken, betreft in alle drie de subregio’s ongeveer een kwart van alle 15 tot 75-jarigen.

Figuur 14: Inwoners van Zeeland 15 tot 75 jaar, naar arbeidsmarktpositie en woonregio (2022)
Driekwart mensen in onbenut arbeidspotentieel niet bekend bij UWV of gemeente

Als je werk zoekt of bijvoorbeeld meer wilt werken kun je je bij het UWV (of bij de gemeente) laten registreren als werkzoekende. Je bent dan ‘geregistreerd werkzoekende’ (GWU). Van alle Zeeuwen in het onbenut arbeidspotentieel is bijna driekwart niet als werkzoekende geregistreerd bij het UWV of de gemeente. Landelijk is dat percentage nog iets hoger. Dit betekent dat een substantieel deel van het onbenut arbeidspotentieel niet in beeld is en daardoor lastig te bereiken.

Figuur 15: Onbenut arbeidspotentieel, naar inschrijving bij het UWV (2022)
Kwart van de geregistreerd werkzoekenden bij het UWV is on(der)benut

Omgekeerd zien we dat van alle geregistreerd werkzoekenden in Zeeland (in de leeftijd van 15 tot 75 jaar) ruim een kwart onder het onbenut arbeidspotentieel wordt gerekend. Het merendeel van de geregistreerd werkzoekenden valt dus niet onder het onbenut arbeidspotentieel: zij hebben al werk óf staan (inmiddels) door omstandigheden op dit moment iets verder van de arbeidsmarkt af, bijvoorbeeld in verband met ziekte. Zoals je zou verwachten is het percentage onbenut arbeidspotentieel onder de geregistreerd werkzoekenden wel aanzienlijk hoger dan onder de inwoners die niet bij het UWV (of een gemeente) geregistreerd staan.

Figuur 16: Ingeschrevenen bij het UWV (GWU) 15 tot 75 jaar, arbeidsmarktpositie en regio (2022)

Onderbenut potentieel onder werkenden

De onderbenutte deeltijdwerkers, ofwel mensen die werken, maar meer uren zouden willen werken, vormen de grootste deelgroep binnen het onbenut arbeidspotentieel. Hier gaan we in op de kenmerken van deze groep.

Onderbenut potentieel laag in Zeeuwse Industrie

In Zeeland is het percentage onderbenutte deeltijders met name in de Zeeuwse nijverheidssector, conform landelijk beeld, relatief laag: 2%. Het gaat naar schatting om ruim 800 personen in 2022. Specifieker zien we dat het aandeel onderbenutte deeltijders laag is in de Zeeuwse industrie (1% - enkele honderden personen). Het gaat hier om een sector waarin relatief veel mensen (al) voltijds werken: ruim 7 op de 10 werkenden in de Zeeuwse Industrie werkt voltijds. De rek is in die sector dus sowieso klein.

Nijverheidsector (landelijk): onderbenut potentieel laag onder alle opleidingsniveaus

Landelijk zien we dat het onbenut arbeidspotentieel laag is in verschillende sectoren met relatief veel krapte. Naast de industrie gaat het bijvoorbeeld ook om energievoorziening, bouwnijverheid en delfstofwinning. Ook in de financiële dienstverlening en in openbaar bestuur en overheidsdiensten is het onderbenut potentieel relatief laag, zo blijkt uit landelijke cijfers. Relatief hoog is het onbenut arbeidspotentieel in de horeca en de toeristensector, waar veel jonge mensen (als bijbaan) werken.

Als we op een iets hoger niveau kijken naar de combinatie van sector en opleidingsniveau dan valt op dat in zowel de commerciële als niet-commerciële dienstverlening het aandeel onderbenutte deeltijders lager is naarmate het opleidingsniveau hoger is. Werkenden in de nijverheid vormen wat dit betreft een uitzondering; daar zien we landelijk in alle opleidingsniveaus een laag aandeel onderbenutte deeltijders.

Zeeuwse zorgsector: bijna 8 op de 10 werken in deeltijd

Als we tot slot terug naar Zeeland gaan is een bijzondere sector om uit te lichten de zorgsector: bijna 8 op de 10 van de zorgwerkers werken in deeltijd. Werkgevers in de zorg sturen vaak aan op deeltijdwerk om het risico van uitval te spreiden. Het aandeel onderbenutte deeltijders in de zorg is niet bijzonder hoog: slechts 5 procent van alle deeltijdwerkers in de Zeeuwse zorgsector geeft op dit moment aan meer uren te willen werken. Dat is slechts 1 procentpunt meer dan het aandeel onderbenutte deeltijders in alle sectoren tezamen.

Figuur 17: Werkenden 15 tot 75 jaar, naar arbeidsmarktpositie en sector (2022)
Groep die minder wil werken groter dan groep die meer wil werken

In de zoektocht naar onbenut potentieel wordt onder andere gekeken naar mensen die meer uren zouden willen werken. Maar aan de andere kant zijn er ook mensen die juist minder uren zouden willen werken. Wij zien zelfs dat onder de werkenden het aandeel dat minder uren wil werken kleiner is dan het aandeel dat meer uren wil werken. Het aandeel dat op dit moment evenveel uren wilt werken is, met driekwart, verreweg de grootste groep. 

Figuur 18: Werkenden 15 tot 75 jaar, naar wel/niet meer willen werken (2022)

Onderliggend zien we in de landelijke cijfers dat vooral oudere werknemers (55+) aangeven minder uren te willen werken. Ook mensen werkzaam in de ICT geven relatief vaak aan dat ze minder zouden willen werken. 

Hoewel de vraag is in hoeverre mensen die minder willen werken ook de mogelijkheid en omstandigheid hebben om daadwerkelijk minder te werken, geeft dit gegeven wel een extra perspectief bij het onbenut arbeidspotentieel.

Conclusie en discussie

Ruim een derde van de Zeeuwse werknemers op dit moment is ouder dan 50 jaar. Vergrijzing zal de druk op de Zeeuwse arbeidsmarkt in de toekomst verder vergroten. De hoofdvragen in dit onderzoek is zijn: Hoe groot is het onbenut arbeidspotentieel in Zeeland? Wat zijn de kenmerken van de mensen in het onbenut arbeidspotentieel? Om een antwoord te geven op deze vraag, en zodoende een beter beeld te vormen van de feitelijke de potentie van het onbenut arbeidspotentieel, hebben we het onbenut arbeidspotentieel van Zeeland cijfermatig in beeld gebracht.

Onbenut arbeidspotentieel geen heilige graal

Hoewel het gezien de huidige krappe arbeidsmarkt logisch is dat onbenut arbeidspotentieel onder een vergrootglas ligt, laat dit onderzoek zien dat het onbenut arbeidspotentieel ook in Zeeland inmiddels ver afgeroomd is: de omvang is in de afgelopen periode gedaald en is nu al een tijdje relatief stabiel. Bovendien is het aandeel werkenden dat minder uren zou willen werken groter dan het aandeel dat meer uren zou willen werken.

Jongeren vormen een relatief grote groep binnen het onbenut arbeidspotentieel. Deze jongeren volgen vaak nog een opleiding. Het gaat hier vaak om jongeren die meer uren zouden willen werken in een bijbaan, zoals in de horeca of de toeristensector. Dat is niet per se de sector waarin zij op termijn aan de slag willen gaan.

Het aandeel ‘onderbenutte deeltijders’ onder de werkenden is laag in verschillende sectoren met een relatief krappe arbeidsmarkt, zoals de industrie, bouw en ICT. Vaak zijn dit sectoren waar al veel, vaak door mannen, in voltijd gewerkt wordt en er dus überhaupt weinig rek is in de hoeveelheid werkuren. In de zorg, ook zo’n sector met veel tekorten, wordt juist veel, vaak door vrouwen, in deeltijd gewerkt. Het aandeel zorgwerkers dat meer uren wil werken is niet bijzonder groot.

Het onbenut potentieel onder (semi-)werklozen is in Zeeland laag. De werkloosheid is historisch laag en ook relatief laag ten opzichte van andere regio’s. De potentiële winst op korte termijn lijkt hier beperkt. Daarbij moet worden beseft dat er op iedere arbeidsmarkt sprake is van een bepaalde ondergrens van werkloosheid. Fricties tussen vraag en aanbod zijn onvermijdelijk op een arbeidsmarkt die zo in verandering is als de huidige arbeidsmarkt.

Breder kijken

Om de verwachte grote pensioenuitstroom goed het hoofd te kunnen bieden zou meer naar het bredere plaatje van arbeidsdeelname gekeken moeten worden, dus ook naar de werkenden die op dit moment aangeven niet meer uren te willen werken en mensen die op dit moment niet direct beschikbaar zijn voor werk.

Enerzijds zou het potentieel kunnen worden vergroot door deeltijders te motiveren meer uren te werken (bijvoorbeeld in de zorg). Het is aan werkgevers en koepels om dit te stimuleren en eventuele belemmeringen hierbij voor werknemers weg te nemen. Aandacht voor de werk-privé-balans van mensen die aangeven juist minder uren te willen werken lijkt hierbij op zijn plaats, aangezien uit ons onderzoek blijkt dat het aandeel werkenden dat minder uren wil werken groter is dan het aandeel dat meer uren zou willen werken. Initiatieven als die van stichting Het Potentieel Pakken kunnen helpen of inspiratie bieden bij het nog beter benutten van arbeidspotentieel.

Anderzijds is er een substantiële groep mensen die vanwege uiteenlopende redenen aangeven op dit moment niet te willen of kunnen werken, zoals bijvoorbeeld ouderen. De arbeidsdeelname onder ouderen neemt in de tijd toe en uit recent onderzoek onder gepensioneerden blijkt bovendien dat ongeveer een op de vier niet-werkende AOW’ers belangstelling toont voor een terugkeer naar betaald werk. Naast de inhoud van het werk en flexibiliteit speelt ook werkgevers-initiatief een belangrijke rol om ouderen hiervoor over de streep te trekken (Dingemans, Henkens en van Solinge, 2023). Voor anderen spelen andersoortige uitdagingen en belemmeringen een rol in de beschikbaarheid voor betaald werk, zoals gezondheid, zorgtaken of (beperkte) opleiding. Mede op basis van kwalitatief onderzoek onder werkgevers en werkzoekenden in regio Drechtsteden deed Erasmus School of Economics (SEOR) onlangs verschillende aanbevelingen aan beleid en werkgevers om de participatiegraad te verhogen en ook kansen te bieden voor de meer kwetsbare groepen. Zij stellen een driesporenbeleid voor met het stimuleren van integrale ontmoetingsplekken rond werk, inkomen, zorg en onderwijs (1), goed werkgeverschap (2) en proactief loopbaangedrag van werkzoekenden (3)  (SEOR, 2023).

Willen, kunnen, gelegenheid

Bij arbeidspotentie gaat het om capaciteit (kunnen), motivatie (willen) en gelegenheid (omstandigheden). Per individu kunnen alle drie van deze factoren in de tijd veranderen. In de eerste plaats moeten mensen in staat zijn om te werken. Deze factor speelt vooral een rol bij kwetsbare groepen zoals mensen met een arbeidsbeperking. Uit het onderzoek van SEOR blijkt dat ook psychologische blokkades hier een rol kunnen spelen. Vervolgens speelt motivatie een rol. Hoewel die motivatie, net als de capaciteit, primair bij de werknemer ligt kunnen werkgevers hier een belangrijke rol spelen om (meer uren) werken aantrekkelijker te maken. Tot slot speelt gelegenheid een belangrijke rol. Naast de faciliterende rol van de werkgever (flexibele werktijden en laagdrempelige ontmoetingsplekken) spelen hier ook de overheid (spelregels kinderopvang) en het gezin (werkverdeling) een rol.

Uit recent onderzoek van het CBS blijkt dat 2 op de 3 moeders, van kinderen jonger dan 18 jaar, die in deeltijd werken onder voorwaarden meer uren zouden willen werken. Inkomen en werkprivé-balans blijken in deze afweging een belangrijke rol te spelen (CBS, 2023). De vraag is wel hoe groot die rek feitelijk is. Zo blijkt uit een recent onderzoek van FNV onder de sectoren zorg en welzijn, vervoer, onderwijs dat ruim driekwart van de werkenden niet meer uren kan of wil werken, bijvoorbeeld om dat dit niet te combineren is met zorg voor kinderen. Onder degenen die aangeven wel meer te willen werken loopt iets minder dan de helft tegen hobbels aan om dit ook geregeld te krijgen met de werkgever (FNV, 2022). Als het gaat over de wat oudere doelgroep constateerde het UWV onlangs dat steeds meer 55+ers aan het werk zijn, door de vergrijzing én een hogere arbeidsdeelname, maar dat niet iedereen in die leeftijdsgroep ook makkelijk werk vindt, bijvoorbeeld door ontmoediging bij een vermoeden van leeftijdsdiscriminatie (UWV, 2023). Al met al lijken het aantrekkelijk en toegankelijk maken van betaald werk en het creëren en bespreekbaar maken van de mogelijkheid om meer uren te werken belangrijke elementen om het arbeidspotentieel te vergroten.

Balans houden

Onbenut potentieel is één van de oplossingsrichtingen voor het oplossen van de arbeidsmarktkrapte, maar dus geen heilige graal. Het UWV heeft onlangs een handreiking gedaan in de vorm van 34 oplossingen voor personeelstekorten, waarbij onderscheid wordt gemaakt in drie vormen van oplossingsstrategieën, namelijk aanboren van nieuw talent, anders organiseren van werk en het binden en boeien van medewerkers (UWV, 2023). Ook in deze aanbevelingen van het UWV is zichtbaar dat met alleen het zoeken naar extra personeel of de inzet van extra uren het probleem van de krapte niet wordt opgelost. Het is belangrijk dat werkgevers aanvullend ook aandacht hebben voor het slim organiseren van het werk zélf. Naast het herverdelen van taken kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het inzetten van technologie om de werkdruk niet te veel op te laten lopen en daarmee een zo goed mogelijke balans tussen werk en privé te behouden voor de werkenden.

Bronnen

ABN AMRO (2022, maart). Arbeidsmarkt. Economisch Bureau. Geraadpleegd via https://assets.ctfassets.net/1u811bvgvthc/6HFQFUQwuKdASIo6JOdNWT/200ab3…;

CBS (2020, juni). Relatief veel onbenut arbeidspotentieel boven de grote rivieren. Geraadpleegd via https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2022/24/relatief-veel-onbenut-arbeidspo…;

CBS (2023, maart). Verdeling werk en zorg tussen vaders en moeders vaak anders dan gewenst. Geraadpleegd via https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2023/10/verdeling-werk-en-zorg-tussen-v…;

CBS Statline (2023, april). Regionale kerncijfers Nederland. Geraadpleegd via https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/70072ned/table?dl=ED8…;

Dingemans, E., Henkens, K., van Solinge, H. (2023, april). Aanzienlijk onbenut arbeidspotentieel onder gepensioneerden. ESB. Geraadpleegd via https://esb.nu/aanzienlijk-onbenut-arbeidspotentieel-onder-gepensioneer…;

Etil (2023). Onbenut arbeidspotentieel. ArbeidsmarktInZicht. Geraadpleegd via https://arbeidsmarktinzicht.nl/content/states/index/3406&nbsp;

FNV (2022, november). Veel mensen kunnen niet meer uren werken, of ervaren belemmeringen daarbij. Geraadpleegd via https://www.fnv.nl/nieuwsbericht/algemeen-nieuws/2023/11/veel-mensen-ku…;

Ministerie van OC&W (2023, april). Hoofdlijnen aanvalsplan voorkomen voortijdig schoolverlaten en begeleiden naar een kansrijke toekomst. Geraadpleegd via https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/brieven_regering/detail?id=2023…;

SEOR (2023, februari). Onbenut arbeidspotentieel in Drechtsteden. Erasmus School of Economics. Geraadpleegd via https://arbeidsmarktinzicht.nl/onbenut-arbeidspotentieel-in-drechtstede…;

UWV (2022a, mei). Wie zitten er in het onbenut arbeidspotentieel? Geraadpleegd via https://www.werk.nl/arbeidsmarktinformatie/prognose-trends/wie-zitten-i…;

UWV (2022b, november). Regio in Beeld. Geraadpleegd via  https://www.werk.nl/imagesdxa/regio_in_beeld_2022_zeeland_tcm95-442430…;

UWV (2023, maart). Steeds meer 55-plussers aan het werk. Geraadpleegd via  https://www.werk.nl/imagesdxa/steeds_meer_55plussers_aan_het_werk_tcm95…;